Tilman
Anhold heeft niet meer dan een paar teilen nodig om de paardrijervaring
van zijn klanten in te schatten.
Hij laat zijn
ogen over een veel te nieu-we rijbroek glijden en zegt: „Je
bent toch niet zo'n dressuurtypje, he?"
En, tegen een ander die verklaart dat hij al twintig jaar een eigen
paard heeft: „Dat zegt me niets. Heb je zachte handen?" Fluitend
loopt hij door het weiland van zijn Horse Holiday Farm en spiedt
de kudde af op zoek naar een geschikt paard. Dan gooit hij een
halster om het hoofd van een koffiekleurige Ierse Hunter. „Dit
is Gaynor. Hij zal je bevallen."
Het is belangrijk dat de match goed uitpakt, want paard en ruiter
zijn de körnende week tot elkaar veroordeeld. Zeven dagen
lang zullen ze samen een trektocht maken door de bergen, bossen
en dalen van Donegal, in het uiterste noordwesten van Ierland.
Onderweg logeren ze bij boeren en bij B&B's. Ze krijgen zadeltassen
mee die alleen ruimte bieden aan de meest noodzakelijke bagage.
Hun weg zullen ze moe-ten vinden met behulp van een gedetailleerde
kaart, want een gids zit niet bij de reis inbegrepen.
Het concept van deze individuele paardrijvakanties is uniek in
de wereld: waar eiders krijg je zomaar een duur raspaard mee dat
je een week lang zelf dient te verzorgen, voeren en op-zadelen?
Tilman Anhold, 66 jaar geleden geboren in Duitsland, dürft
het aan, omdat hij vertrouwen heeft in zijn honderd paarden, die
hij stuk voor stuk zelf heeft getraind. Allemaal zijn het goedmoedige
dieren - niet bang voor ver-keer, water of rotsige bergpaadjes.
Ze hebben genoeg pit om er op een breed Strand eens lek-ker voluit
vandoor te gaan, maar zij n ook zo verstandig om zieh op gladde
afdalingen niet over de kop te laten jagen.
Tilman Anhold kwam op het idee voor zijn trektochten toen hij een
jaar of veertig geleden voor het eerst op vakantie naar Ierland
kwam. Hij huurde een paard, trok door de groene heuvels rond Sligo
en vond in iedere pub of herberg een warm welkom. En altijd was
er wel een veld-je in de buurt waar zijn paard de nacht kon doorbrengen.
Die Ierse gastvrijheid wilde Anhold ook andere ruiters laten
ervaren. En zo kwam het dat hij in 1973 in het kleine dorpje Grange,
aan de weg tussen Sligo en Donegal, zijn Horse Holiday Farm startte.
De eerste dag van het arrangement bestaat uit een testrit over de
witte stranden waar de Horse Holiday Farm vanaf een hoge klif zo
mooi op uitkijkt. Om er te komen moet er door de paarden flink geklauterd
worden over stenen die bedekt gaan onder een dikke laag fluorescerend
groen zeewier. Behendig stappen ze over de touwen van de boten die
op het drooggevallen wad liggen, slim omzeilen ze de donkergekleurde
plekken in de zeebodem die kunnen wijzen op drijfzand. En als ze
na een uur ploeteren door de baai de vaste grond van het Strand onder
hun hoeven hebben, beginnen ze aan het bit te trekken. Ah, mag het
nu eindelijk een beetje harder?
Het gebeurt
regelmatig, zo vertelt een van de stalhulpen, dat een paard na
zo'n proefrit zonder ruiter thuiskomt. „Laatst
nog was er hier een Texaan die om een pittig paard vroeg, want
hij was naar eigen zeg-gen een ervaren cowboy. Uren later kwam
hij aangehinkeld, onze held op cowboylaarzen. Zijn paard had toen
allang de weg naar huis gevonden."
Wie dag een zonder kleerscheuren doorstaat, is klaar om er de volgende
ochtend alleen op uit te trekken. In een vrachtwagen met op de
ach-terklep de woorden 'adventures on horseback' rijdt Anhold paarden
en ruiters een klein uur noord-waarts, tot aan de voet van de Blue
Stack Mountains. Hij wijst naar een hek dat toegang geeft tot een
grindpad. „Die kant moet je op. Gewoon de gele pijlen volgen.
Je moet blind zijn om ze te missen." Nog voordat we in het
zadel zitten, is de veewagen al vertrokken. Zo voelt het dus om
achtergelaten te worden in de wildemis.
Dit ruige berglandschap op de grens van Noord-Ierland, waar de
wind suizend längs de staalblauwe toppen waait, is het dunstbevolkte
deel van Ierland. Uren kun je er rijden zonder ook maar een teken
van menselijke beschaving tegen te komen. We passeren kraakheldere
bergmeertjes en ondoordringbare dennenbossen, hebben uitzicht op
eindeloze hoogvlaktes met hier en daar wat schapen. Soms moeten er
hekken worden geopend - zeker tien keer per rit kun je jezelf trainen
in het afen opstappen, wat nog een heel gedoe is met al die zadeltassen.
Na een uur of vijf rijden komt de slaapplek van die avond in zieht.
De paarden lijken dat ook te weten en beginnen steeds harder te stappen.
Tot nu toe hebben we de kaart goed in de gaten gehouden, want Anholds
route was niet zo duidelijk met gele pijlen gemarkeerd als hij deed
geloven. Maar nu is sturen niet meer nodig. Totaal overtuigd
van hun eigen gelijk stappen de paarden de oprijlaan van Mary Logue's
B&B op, waar rwee emmers voer op hen staan te wachten.
„
Thee?", vraagt de gastvrouw, en zet een gro-te schaal scones
met aardbeienjam op tafel. In het op turf gestookte fornuis Staat
het avond-maal al te garen. Er is in de wijde omtrek geen pub of
restaurant te bekennen, dus alle ruiters die hier passeren zijn op
Mary's kookkunsten aangewezen. „Jullie zijn vroeg", zegt
de Ierse. „Gisteren had ik twee Engelse meisjes die pas tegen
het donker aankwamen. Ze vonden de rit door de bergen zo mooi dat
ze bleven afstappen om foto's te maken. Ik had al bezorgd naar Tilman
gebeld om te vragen hoe laat ze waren vertrokken. Ze bleken
er tien uur over te hebben gedaan."
AI op dag twee van de vakantie word je over-vallen door een gevoel
van totale onthaasting. Bij het verlaten van de B&B rennen pasgeboren
lammetjes met de paarden mee. Hun kraaloogjes zijn omrand met zwarte
plukjes vacht, alsof ze er met een flinke kruissteek op genaaid zijn.
Even verderop begint een ezel opgewonden te balken als we zijn wei
voorbijrijden. Verder hoor je alleen het ritmische geklos van de
paar-denhoeven, een geluid dat na enkele uren in Staat is je in slaap
te wiegen.
„
De mensen in Donegal zijn de aardigste ter wereld", had Anhold
tijdens de heenreis gezegd. En inderdaad, iedereen groet ons uitbun-dig.
De spaarzame auto's die voorbijkomen, duiken al op grote afstand
de berm in om de paarden vrije doorgang te bieden. Als we voor een
körte lunchpauze stoppen längs de kant van de weg, komt
een omwonende onmiddellijk met emmers water voor de paarden aanzetten.
En als we een paar uur later in het gehucht Greenans een pub met
de naam The Glen Ta-vern passeren, biedt de waard aan om de paarden
op de binnenplaats te stallen.
Na drie dagen rijden doemt Gweebarra Bay op, een prachtige inham
van de Atlantische Oceaan. De kustlijn doet hier haast tropisch
aan, met zijn turkooizen baai en weelderige planten-groei. Er staan
palmbomen en in de berm
bloei-en wilde, manshoge fuchsiastruiken en heerlijk geurendc kamperfoelie.
Volgens de kaart loopt de route längs diverse witte stranden
- 'Trä Mhor' in Gaelic. „Vanaf vijf uur 's middags is
het eb", had Anhold gezegd, „en kun je gemakke-lijk van
het ene Strand naar het volgende wa-den". Maar om half zes beuken
de golven nog steeds op de rotsen en zit er niets anders op dan bovenlangs
te rijden, door een weiland vol nieuwsgierige hengsten en over de
plaatselijke golfbaan. Het richtinggevoel van de paarden lijkt hen
ineens in de steek te hebben gelaten.
In de B&B van Mary Barrett in het vissers-plaatsje Portnoo treffen
we de twee Engelse meisjes, die een rustdag houden. Bij de thee worden
ervaringen en tips uitgewisseld - over missende gele pijlen, naadloze
onderbroeken, zadelpijn en andere lichamelijke ongemakken. „Wij
zitten nu op twee keer daags een dosis ibu-profen", zegt de
een. „Dan voel je die stijve spie-ren tenminste niet meer."Mountains.
Hij wijst naar een hek dat toegang geeft tot een grindpad. „Die
kant moet je op. Gewoon de gele pijlen volgen. Je moet blind zijn
om ze te missen." Nog voordat we in het zadel zitten, is de
veewagen al vertrokken. Zo voelt het dus om achtergelaten te worden
in de wildemis.
Dit ruige berglandschap op de grens van Noord-Ierland, waar de wind
suizend längs de staalblauwe toppen waait, is het dunstbevolkte
deel van Ierland. Uren kun je er rijden zonder ook maar een teken
van menselijke beschaving tegen te komen. We passeren kraakheldere
bergmeertjes en ondoordringbare dennenbossen, hebben uitzicht op
eindeloze hoogvlaktes met hier en daar wat schapen. Soms moeten er
hekken worden geopend - zeker tien keer per rit kun je jezelf trainen
in het afen opstappen, wat nog een heel gedoe is met al die zadeltassen.
Na een uur of vijf rijden komt de slaapplek van die avond in zieht.
De paarden lijken dat ook te weten en beginnen steeds harder te stappen.
Tot nu toe hebben we de kaart goed in de gaten gehouden, want Anholds
route was niet zo duidelijk met gele pijlen gemarkeerd als hij deed
geloven. Maar nu is sturen niet meer no¬dig. Totaal overtuigd
van hun eigen gelijk stappen de paarden de oprijlaan van Mary Logue's
B&B op, waar rwee emmers voer op hen staan te wachten.
„
Thee?", vraagt de gastvrouw, en zet een gro-te schaal scones
met aardbeienjam op tafel. In het op turf gestookte fornuis Staat
het avond-maal al te garen. Er is in de wijde omtrek geen pub of
restaurant te bekennen, dus alle ruiters die hier passeren zijn op
Mary's kookkunsten aangewezen. „Jullie zijn vroeg", zegt
de Ierse. „Gisteren had ik twee Engelse meisjes die pas tegen
het donker aankwamen. Ze vonden de rit door de bergen zo mooi dat
ze bleven afstappen om foto's te maken. Ik had al bezorgd naar Tilman
gebeld om te vragen hoe laat ze waren vertrokken. Ze bleken
er tien uur over te hebben gedaan."
AI op dag twee van de vakantie word je over-vallen door een gevoel
van totale onthaasting. Bij het verlaten van de B&B rennen pasgeboren
lammetjes met de paarden mee. Hun kraaloog-jes zijn omrand met zwarte
plukjes vacht, alsof ze er met een flinke kruissteek op genaaid zijn.
Even verderop begint een ezel opgewonden te balken als we zijn wei
voorbijrijden. Verder hoor je alleen het ritmische geklos van de
paar-denhoeven, een geluid dat na enkele uren in Staat is je in slaap
te wiegen.
„
De mensen in Donegal zijn de aardigste ter wereld", had Anhold
tijdens de heenreis gezegd. En inderdaad, iedereen groet ons uitbun-dig.
De spaarzame auto's die voorbijkomen, duiken al op grote afstand
de berm in om de paarden vrije doorgang te bieden. Als we voor een
körte lunchpauze stoppen längs de kant van de weg, komt
een omwonende onmiddellijk met emmers water voor de paarden aanzetten.
En als we een paar uur later in het gehucht Greenans een pub met
de naam The Glen Tavern passeren, biedt de waard aan om de paarden
op de binnenplaats te stallen.
Na drie dagen rijden doemt Gweebarra Bay op, een prachtige
inham van de Atlantische Oceaan. De kustlijn doet hier
haast tropisch aan,
met zijn turkooizen baai en weelderige planten-groei. Er staan
palmbomen en in de berm
bloei-en wilde, manshoge fuchsiastruiken en heerlijk geurendc kamperfoelie.
Volgens de kaart loopt de route längs diverse witte stranden
- 'Trä Mhor' in Gaelic. „Vanaf vijf uur 's middags is
het eb", had Anhold gezegd, „en kun je gemakke-lijk
van het ene Strand naar het volgende wa-den". Maar om half
zes beuken de golven nog steeds op de rotsen en zit er niets anders
op dan bovenlangs
te rijden, door een weiland vol nieuwsgierige hengsten en over
de plaatselijke golfbaan. Het richtinggevoel van de paarden lijkt
hen ineens in
de steek te hebben gelaten.
In de B&B van Mary Barrett in het vissers-plaatsje Portnoo treffen
we de twee Engelse meisjes, die een rustdag houden. Bij de thee worden
ervaringen en tips uitgewisseld - over missende gele pijlen, naadloze
onderbroeken, zadelpijn en andere lichamelijke ongemakken. „Wij
zitten nu op twee keer daags een dosis ibu-profen", zegt de
een. „Dan voel je die stijve spieren tenminste niet meer."
Volgens de klimaattabel regent het in Do¬negal ook in de zomer
27 tot 30 dagen per maand. Maar hoewel de lucht iedere och-tend
met stortbuien dreigt, blijft het zeven da¬gen lang nagenoeg
droog. Pas op de terugweg, als de route door een moerassig veengebied
voert, wordt duidelijk hoe nat de bodem hier -ondanks een extreem
droge meimaand - toch nog is. De paarden zakken soms tot hun knieen
weg in het drassige grasland. Op de drogere ge-deeltes maken de
hoeven hol klinkende gelui-den. Met iedere stap zie je de bodem
centime-ters mee trillen - een hallucinerend gezicht.
Om de tocht door 'the boglands' iets begaan-baarder te maken, heeft
Anhold op de natste plekken houten vlonders neergelegd, waar de
paarden gewillig gebruik van maken. Maar het zij n j uist die vlonders
die voor het meest hache-lijke moment van de reis zorgen. Een van
de paarden stapt in een loszittende spijker en houdt zijn linkerachterhoef
krampachtig in de lucht. Het Zwitsers zakmes breekt bij een eerste
poging de nagel eruit te halen al af. En omdat het dier onmogelijk
op drie benen de berg af kan lopen, wenden we ons ten einde raad
tot stadse middelen: de mobiele telefoon. Ook in de 'bogs' blijkt
het bereik uitstekend.
Als we even later veilig en wel bij het op turf gestookte haardvuur
zitten van de laatste over-nachtingsplek in Cranny, vertelt gastheer
Terry Coyle dat er regelmatig paarden hebben vastge-zeten in 'the
boglands'. Onlangs is er op de berg die we zojuist bedwongen hebben
zelfs een dui-zend jaar oud veenlijk ontdekt. Een voldaan ge-voel
maakt zieh van ons meester. We hebben de Donegal Trail West overleefd.
En nee, hij is niet geschikt voor watjes.
|